04-09-2018 – Waarom elke Eredivisie-club een ingooispecialist in huis zou moeten hebben.

In Engeland discussiëren analisten al een week lang over het opvallende besluit van Liverpool om een inworpspecialist uit Denemarken in huis te halen. Thomas Gronnemark werkt met jeugdspelers van The Reds aan hun worptechniek. In VI Rebound een verhaal uit de zomer van 2017, waarin wij schreven over de toegevoegde waarde van een dergelijke specialist. 

De ingooi. Voor de meeste voetballers en toeschouwers is het niet meer dan een vanzelfsprekend, wellicht zelfs saai moment binnen een wedstrijd. Toch valt er enorme winst te boeken bij een betere ingooi. Waarom elke Eredivisieclub een ingooispecialist in huis zou moeten hebben.

Iedereen die tussen 2008 en 2012 naar de Premier League keek zal zich het volgende beeld kunnen herinneren: uitbal voor Stoke City op de helft van de tegenstander – opmerkelijk veel geroezemoes vanaf de tribune. Nummer 24 van Stoke, een lijzige metervreter op het middenveld, loopt kalm richting de zijlijn. Daar staat tijdens thuiswedstrijden een ballenjongen al klaar met een droge handdoek voor de bal, bij uitwedstrijden dient de voorkant van zijn tenue als droogmiddel. Ondertussen begeeft elke lange en kopsterke veldspeler van Stoke City zich in het zestienmetergebied van de tegenstander, de langste twee jongens staan zelfs in de doelmond.

Nadat de bal grondig droog is gemaakt, plaatst hij zijn twee handen met chirurgische precisie op de juiste plekken op de bal. Een blik achterom richting de boarding langs het veld. Geconcentreerd meet hij zijn achterwaartse stappen tot aan de reclameborden uit. Hij zucht, ontspant zijn schouders; de bal houdt hij rustig vast. Met vier snelle passen en een grote sleepstap rent hij tot de zijlijn. Tussen de een-na-laatste en laatste pas haalt hij de bal naar de nek… en vuurt de bal richting het zestienmetergebied.

Een laag vliegende, vlakke vuurpijl, gemiddeld 38 meter afleggend met een snelheid van 60 kilometer per uur, suist richting het zestienmetergebied van de tegenstander. Weer een grote kans voor Stoke City uit een monsterinworp van Rory Delap, ingooispecialist pur sang.

De inworpen van Delap zullen we niet zo snel vergeten. De “menselijke katapult” – daartoe werd Delap omgedoopt door toenmalig Everton-manager David Moyes toen Stoke City tweemaal in een wedstrijd scoorde uit een inworp – was enige tijd voetbalwereldnieuws in 2008. Stoke City, onder leiding van manager Tony Pulis, was net gepromoveerd naar de Premier League. Eenmaal daar baarde het opzien door optimaal gebruik te maken van het specialisme van hun Iers-Engelse middenvelder Delap. Zeven (!) van de eerste dertien goals die Stoke in 2008/2009 maakte, kwamen tot stand uit inworpen. Premier League-teams hadden een tijd lang geen antwoord op een vlakke vuurpijlen van Delap. Championship-teams overigens ook niet: in 2007/2008 scoorde Stoke City op het tweede Engelse niveau ook al acht keer uit zijn inworpen.

Delap was altijd al een ingooispecialist. Als scholier was hij een meer dan verdienstelijk speerwerper geweest, een soortgelijke techniek gebruikt hij bij zijn megaworpen.

Aan krachttraining van het bovenlichaam doet Delap niet, zijn werpkracht dankt hij volledig aan zijn specifieke techniek. Toch duurde het tot zijn komst naar Stoke onder Pulis voordat zijn specialisme écht een doelgevaarlijk wapen werd. In twaalf seizoenen tijd bij Carlisle United, Derby County, Southampton en Sunderland was er in totaal vijf keer gescoord uit zijn verre inworpen. Bij Stoke City lag dit totaal op 26 (!) doelpunten in vijf seizoenen.

Het power football onder Pulis – in Nederland omschrijven we deze speelstijl als ‘lange halen gauw thuis’ – leende zich uitstekend voor Delaps specialisme. Het op lange passes en directe duels gerichte spel van Stoke leverde veel dode spelmomenten op, én inworpen. Daarnaast telde de Stoke-selectie meerdere kopsterke spelers van boven de 1 meter 90. Ook de veldafmetingen werden naar Delaps specialiteit ingericht: het Britannia Stadium van Stoke kreeg een veld met een zo smal mogelijke breedte.

De perfecte omstandigheden waren bij Stoke gecreëerd om Delaps ingooien zoveel mogelijk gevaar te laten aanrichten. Uit een spelfacet dat het overgrote deel van de teams negeerde, haalde Stoke City het onderste uit de kan. Stoke noteerde 1.5 doelpogingen per wedstrijd vanuit ingooien tussen 2008 en 2012, de jaren waarin Delap zijn kanonskogels vanaf de zijlijn van Britannia Stadium mocht afvuren. Behalve perfecte omstandigheden voor Delap waren er ook andere elementen die het teams uiterst lastig maakten om doelgevaar uit zijn inworpen te voorkomen:

1. Het fenomeen Delap was door tegenstanders niet na te bootsen op trainingen, aangezien weinig teams zelf een ingooispecialist binnen de gelederen hadden. Daardoor bleef er altijd een verrassingselement wanneer de verdediging zich voor het eerst op een verre worp van Delap moest instellen.

2. De veldbezetting in het zestienmetergebied voorafgaand aan de ingooi is uniek, vanwege de afwezigheid van de buitenspelregel (zie hieronder).

3. De baan van Delaps worpen is vrijwel volledig vlak, in tegenstelling tot de curvende, dalende corners of vrije trappen – die altijd een soortgelijke weg moeten afleggen (hoog-naar-laag, met een curve) omdat de bal als startpunt nu eenmaal op de grond ligt. Een lijnrechte bal richting zestienmetergebied moet voor verdedigers dus als onnatuurlijk hebben aangevoeld.

The Guardian vroeg in 2008, toen de Delap-hype zich op zijn hoogtepunt bevond, aan Don Howe, die in de jaren 80 ingooikanon Kenny Sansom onder zijn hoede had bij Arsenal, wat de beste manieren waren om je te weren tegen de worpen van Delap. Howe stelde dat er drie opties waren om dit gevaar af te stoppen:

A. De langste verdedigers aan de voorkant van de langste aanvallers laten dekken.

B. Het gehele zesmetergebied vrijlaten, opdat de doelman zoveel mogelijk ruimte heeft zich op de aankomende bal te storten.

C. Koste wat het kost voorkomen dat je een inworp weggeeft.

Het gevaar van Delaps inworpen noodzaakte tegenstanders tot risicovolle verdedigingsstrategieën als de bovenstaande. Zelfs bij een minder sterke ingooispecialist wordt de tegenstander opgescheept met lastige vraagstukken. Want behalve de baan van de bal zijn er nog twee aspecten ‘onnatuurlijk’ aan de inworp. Het voetbal is ingericht aan de hand van drie regels: buitenspel, hands en overtredingen. De inworp gaat voorbij aan twee van deze drie regels, de bal wordt immers beroerd met de handen en spelers kunnen niet buitenspel staan bij een directe ingooi. De aanvallende partij is bij ingooisituaties dus behoorlijk eenzijdig in het voordeel.

‘Gratis’ goals

Op de afgelopen Sloan Sports Analytics Conference in Amerika, waar de slimste geesten uit de sportwereld op het gebied van data-analyse jaarlijks bijeenkomen, kreeg Ted Knutson, voorheen hoofdverantwoordelijke voor de data-analyse bij FC Midtjylland en Brentford en oprichter van Statsbomb en Statsbomb Servives, de vraag op welk vlak er in het voetbal de meeste winst te boeken valt. Knutson antwoordde: ‘Bij de meeste clubs ligt de focus nog altijd veel te weinig op standaardsituaties. (…) Het is namelijk vrij schokkend hoeveel winst er op dit vlak te boeken valt. Vooral in hoe men de verdediging van de tegenstander bij dit soort momenten kan analyseren, welke aanpassingen men hieropvolgend kan maken. Ook de vraag wie in het team de corners en vrije trappen moet nemen, moet onderzocht worden – wie weet is degene die zich nooit bemoeit met dode spelmomenten wel de perfecte man om de ballen te nemen? Je weet het pas zeker als je het getraind en geanalyseerd hebt. Hetzelfde geldt voor specialisten in het afstandsschot en al helemaal voor ingooispecialisten. Men stelt altijd dat lange inworpen niet aan te leren zijn, terwijl dit wél het geval is.’

Nikos Overheul, die als analist met Knutson samenwerkte bij Midtjylland en Brentford en zich specialiseerde in standaardsituaties, stelt eveneens dat inworpen te weinig aandacht krijgen: ‘Geen enkel team doet iets met lange inworpen, dus alle goals die daaruit voortkomen zijn in principe bonus.’ 

Doelpunten uit inworpen zou je dus ‘gratis’ kunnen noemen – zij het dat het perfectioneren ervan veel tijd en moeite op het trainingsveld in beslag neemt. Een sterke inworp is namelijk niet per se een aangeboren kwaliteit van een speler. Overheul: ‘Het is uiteraard aan te leren, in ieder geval tot op zekere hoogte, zoals elk technisch aspect van voetbal. Bij Midtjylland hadden we een trainer die dat deed. Kian Hansen kon al redelijk ingooien, maar toen hij bij ons kwam werd hij daar nog beter in.’ 

EREDIVISIE

En hier is waar het interessant wordt voor Eredivisieclubs. Als deze ‘gratis’ doelpunten ontstaan uit situaties waar niet talent maar trainingsarbeid een sleutelrol vervult, is het bij voorbaat al de moeite waard je als club je hierin te verdiepen. Voor een strak uitgevoerde corner, vrije trap of inworp heb je geen Messi of Ronaldo nodig, maar tijd, oefening en know-how – aspecten die stuk voor stuk minder geld kosten dan het aantrekken van een nieuwe speler.

Uiteraard is een goede traptechniek of een verre inworp ook een vorm van talent, maar wel een soort talent dat makkelijker te vinden (lees: kopen/opleiden) is dan, een Barcelona-waardige balaanname of een voor het spel van Real Madrid geschikte actieradius. Hetzelfde geldt voor het tactische aspect van standaardsituaties: een goed uitbedachte (of overgenomen) vrije trapvariant of een looppatroon bij een corner of inworp vereist vele uren denkwerk, research en communicatie, maar is nog altijd minder werk dan het uitwerken van een perfect functionerend speelsysteem.

 

Financieel gezien is de kloof tussen de Eredivisie en de Europese top gigantisch. Nederlandse clubs zullen dus innovatieve manieren moeten vinden om het gat te dichten. Uitblinken in standaardsituaties lijkt een prima beginpunt. De ingooi, een van de meest onderbelichte spelaspecten in het gehele voetbal, zou een nog beter startpunt vormen.

Een snelle rekensom: een Eredivisieclub kan doorgaans rekenen op vijf cornerdoelpunten per seizoen. Dat klinkt als een gering aantal, maar betekent voor een gemiddeld team tien procent van de totale productie. Tel hier de goals uit vrije trappen bij op en je zit al op twintig procent.

De ingooi zou een soortgelijk aandeel kunnen hebben als de corner of vrije trap. Vooral het hoge totaalaantal inworpen dat een team gemiddeld per wedstrijd krijgt biedt mogelijkheden. Dit aantal schommelt doorgaans tussen de 22 en 26 per wedstrijd. Theoretisch kan daar gemiddeld eens in de vijf wedstrijden een doelpunt uit gemaakt worden, rekening houdend met de succespercentages bij corners. Dat lijkt voldoende motivatie om er extra training aan te wijden.

Voor wie niet mee wil gaan in dit rendementsdenken is er nog een ander argument te maken voor de inworp. Denk terug aan Rory Delap, aan de opwinding die zijn aanwezigheid toevoegde aan het voorheen saaie moment genaamd de inworp. Wie wil deze extra dimensie aan het spel nou niet?

Data via Opta Sports

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *