De totale trainer Louis van Gaal: ‘Het gaat om de fi-lo-so-fi-hie…’

Door Süleyman Öztürk in de VI

Een dag rondbladeren door de interviews die Voetbal International door de jaren heen hield met de trainer Louis van Gaal, zorgt op een gegeven moment voor hoofdpijn. Vanaf de allereerste dag bestaat er een strijd tegen de media die lijken uitgevonden om hem als trainer onderuit te halen. Of nog erger: zijn vakmanschap te betwisten.

Nog een rode draad die valt ontwaren in alle gesprekken: nooit een spoortje twijfel. In juni 1986 kondigde hij zichzelf alvast aan als toekomstig toptrainer. ‘Ik zal niet zeggen dat iedere topspeler ook een toptrainer maakt, maar bij mij zal het toch hooguit een procent risico zijn in de verhouding of ik het wel of niet haal’, aldus een toen 34-jarige Van Gaal.

Naar aanleiding van zijn 67ste verjaardag deze week een selectie van fragmenten van gesprekken die de afgelopen ruim dertig jaar in VI stonden. Sommige opmerkingen zijn (onbedoeld) grappig, uit bepaalde stukken blijkt dat hij zijn tijd als trainer vooruit was en opvallend zijn een aantal sleutelbegrippen die terugkomen in zijn gestructureerde manier van denken en praten. ‘Het gaat om de fi-lo-so-fi-hie…’

TENNISSEN MET TRUUS

 

‘Als jouw partner het allemaal niet zo interesseert, dan moet je niet met elkaar gaan sporten. Ik kon bijvoorbeeld niet tennissen met mijn eerste vrouw, maar ook niet met Truus. Ik tennis altijd met iemand die net iets beter is dan ik. Dan is het voor mij juist lekker om te spelen. Maar als ik met Truus speel, ben ik veel beter en is het minder leuk. Als ze dan ook nog ballen laat lopen, omdat het te veel moeite is, houdt het helemáál op. Natuurlijk ga ik wel eens met Truus spelen en stel ik me daarop in, maar ik vind het niet fantastisch. Dan ga ik liever met een goede vriend spelen die beter is. Met je vrouw is het toch anders.’

In Nummer 14, september 2007

 

INTRODUCTIE ALS BEGINNEND TRAINER

‘Ik ben ervan overtuigd dat ik een goede trainer zal zijn. Of, laat ik het anders stellen: als iemand in staat is de uitdaging aan te gaan, ben ik het wel. Ik kan spelers goed schatten, ben verbaal redelijk getalenteerd, heb een opleiding van leraar lichamelijke opvoeding achter me plus het hele scala aan Eredivisie-ervaring, Europacupwedstrijden en een buitenlandse periode niet te vergeten. Ik zal niet zeggen dat iedere topspeler ook een toptrainer maakt, maar bij mij zal het toch hooguit een procent risico zijn in de verhouding of het ik wel of niet haal.’

In VI 24, juni 1986

 

BIJNA ALTIJD SCHERP

‘Mijn kracht is dat ik bijna altijd scherp ben. Men ziet mij niet zo vaak in een zwak moment. Ik heb al vele jaren gedemonstreerd dat ik in staat ben altijd honderd procent te geven. Dat merk ik ook uit gesprekken met spelers en uit interviews die spelers geven. Ze noemen mij dwingend en veeleisend. Dus ervaren ze mij als scherp. Maar ongetwijfeld zal er weleens een wedstrijd zijn geweest waarin mijn toon minder dwingend was dan anders. Dat kan. Dat is ook niet bepalend voor het succes. Ik ben slechts een hulpmiddel, de speler moet het doen. Uiteindelijk is de mentale voorbereiding op een wedstrijd voor negentig procent het werk van de speler zelf. Ik heb het veel gemakkelijker. Ik kan alles in theorie uitwerken en heb daarvoor maar een week de tijd. Die speler moet het in negentig minuten doen. Bekeken door miljoenen mensen, die allemaal een mening hebben over hoe hij zijn werk verricht. En dan tegen een hoogst gemotiveerde tegenstander. Ga d’r maar aanstaan.’

VI 51/52, 1999

 

GOGME

‘Bij de scouting let ik in het algemeen op gogme. Het nadeel is dat je dan vaak bij kleine spelers terechtkomt. Die hebben in hun jeugd al geleerd het gebrek aan fysiek te compenseren. Dat je over het algemeen goede keuzes maakt, juiste oplossingen kiest. Natuurlijk is fysiek belangrijk, maar persoonlijkheid blijft het belangrijkste. Er zijn spelers die alleen naar hun eigen positie kijken, maar op topniveau moet je méér zien. Spelers die het hele elftal zien, zijn zeldzaam geworden. Spelers die slecht kunnen spelen en toch het geheel beter kunnen laten worden.’

In VI 36, 2006

 

GROEPSGEEST

‘Je weet dat bij mij iedere training om half elf begint en niet een seconde later. Omdat ik vind dat speldiscipline in het veld begint bij discipline buiten het veld. Dan kun je zeggen: wat maakt het uit? Maar er komen irritaties. Spelers gaan zulke dingen gebruiken als alibi voor hun eigen problemen. Ze gaan eraan toegeven. Onbewust misschien, maar het ondermijnt allemaal de groepsgeest. Dat kun je je niet voorstellen, maar het speelt allemaal een rol. En als trainer moet je dat steeds weer begrijpen en doseren. In die wirwar van argumenten moet ik het juiste argument eruit pikken. Want je kunt niet steeds de beul zijn.’

In VI 23, 1997

 

MEEDENKEN

‘Ik laat speler meedenken over de manier van spelen waardoor ze oog krijgen voor de kwaliteiten van hun medespelers. Op die manier kunnen ze elkaar aanvullen en treden meer als team naar buiten. Er moet één gedachte heersen in het team. Lukt dat, dan denk ik dat de spelers gemotiveerder zijn. Als spelers van elkaar ook weten wat ze niet kunnen en ze weten dat op te vangen dan krijg je een heel sterk geheel en heb je een belangrijke stap gezet om die wisselvalligheid eruit te halen. Vertaal je dat naar de speelstijl, dan komt mijn visie er samengevat op neer dat spelers ruimte moeten creëren. Zowel ruimte voor zichzelf als voor medespelers. Dat laatste kan alleen maar als je weet hoe die medespeler speelt. Dan kun je namelijk ook zijn negatieve kanten camoufleren. Ruimte scheppen dus, daar gaat het om en niet uitgaan van statische posities. Dat houdt tegelijkertijd in dat ik geen 4-3-3 wil spelen. Ik wil dus dat spelers gaan geloven in die manier van spelen en dat probeer ik via gesprekken en gerichte trainingen bij te brengen. Dat alles moet uiteraard leiden tot verhoging van het rendement.’

In VI 3, 1992

 

SPORTJONGEN

‘Waarom ben ik leraar lichamelijke opvoeding geworden? Omdat ik een sportjongen ben. Ik deed alles: honkbal, voetbal, basketbal, volleybal. Ik was met gymnastiek heel goed en wilde verder in die sport. Dat is de kiem. Met mijn sportverleden wilde ik iets bereiken. Ik woonde in De Meer, dus wilde je naar Ajax. Dan zag je Rinus Michels. Hoe hij met voetbal bezig was, imponeerde mij. Daarom koos ik voor het vak lichamelijke opvoeding, zonder te weten dat Michels dat ook had gedaan. Maar ik heb ook een prestatieve achtergrond. Ik geloof in prestatiesport, meer dan in het educatief een spelletje spelen. Daarom ben ik de trainerswereld ingegaan. Daar ben ik goed in, daar wil ik alles uithalen. Dat drijft mij. Niet om de titels of de roem. Ja, het is fijn omdat roem waardering inhoudt, maar eigenlijk doe ik vooral voor mijzelf. Voor mijn eigen genoegdoening. Als ik vanochtend de training zie, dan kick ik. De oefenvormen, hoe ze het uitvoeren, hoe groot de beleving is en hoe het terugvertaald kan worden naar de wedstrijd. Top, echt top! Dat is puur genieten.’

VI 51/52, 1999

 

STATISCHE 4-3-3 BENADERING

‘Ik geloof dus niet in de statische 4-3-3 benadering. Zo’n tien tot vijftien jaar geleden heb ik al gezegd dat dat niet zo’n beste visie is. Ik ben een voorstander van positiewisselingen. Nu het vervolg als we de bal kwijt zijn. Dan moet iedereen zijn taak uitvoeren en vooruit verdedigen. Met andere woorden: de tegenstander vastzetten op het moment en op de plaats waar wij balverlies lijden.’

In VI 3, 1992

 

WAT WAS ER EERST: THEORIE OF PRAKTIJK?

‘Twijfel is een slechte zaak. Dan ben je theoreticus. Ik ben een practicus. Ik ben wel ontwikkeld, maar meer practicus dan theoreticus. Te veel theorie is niet goed, dan twijfel je. Dan vraag je je bij alles af of je het wel goed doet. Je moet ook vertrouwen hebben en weten waaróm je iets doet en daarin geloven. Ik zou niemand adviseren een twijfelaar te zijn. De spreuk twijfel is de bron van alle kennis slaat niet op de praktische toepassing in het dagelijkse of maatschappelijke leven. Het slaat op theorieën. Dan kom je bij de discussie van: wat was er eerst, theorie of praktijk? Ik ben van mening dat de theorie eigenlijk altijd achter de praktijk aanloopt. De wetenschap denkt daar anders over. Het gaat om vertrouwen en geloven in iets. Een twijfelaar voor een groep mensen is niet goed.’

In Nummer 14, september 2007

 

BONDSCOACH ARGENTINIË

‘Normaal gesproken is AZ mijn laatste Nederlandse club. Ik dien hier in ieder geval mijn contract bij de club uit. En als ik daarna in Nederland zou blijven, plak ik er misschien nog wel wat jaartjes aan vast. Maar ik heb een contract tot medio 2008 in Alkmaar. En daarna heb ik twee jaar vrijgemaakt om weer ergens als bondscoach te kunnen werken. Dan wil ik een land trainen waarmee ik naar het wereldkampioenschap in Zuid-Afrika wil. Ik heb die ambitie. Ik ben erg populair in Zuid-Amerika, ik krijg heel veel verzoeken, ik denk wel dat ik kansen krijg. Argentinië, daar ben ik bekend, en in Mexico. Ik heb in het verleden verschillende aanbiedingen gehad uit die contreien. Ik wil het liefst naar een land waarmee ik aanspraak kan maken op de titel. Dat je wat in de melk te brokkelen hebt, wereldkampioen kunt worden. Dus ja, ik zou graag bondscoach van Argentinië willen zijn. En waarom niet? Zo ben ik al twee keer gevraagd door Boca Juniors, de laatste keer was voordat ik voor AZ koos. Dus het kan best. Maar je moet afwachten wat er op je afkomt.’

In VI 36, 2006

 

FI-LO-SO-FI-HIE

‘Het gaat om de fi-lo-so-fi-hie… Die ontwikkelt zich wel, want een filosofie is geen star instrument. Het is een levend organisme, dat je afstemt op de omstandigheden. Ik ben niet blind. Ik kijk wat er gebeurt in het leven en in de wereld van het voetbal. Ik moet me aanpassen aan de evolutie van het voetbal en de steeds zwaardere eisen. Maar mijn denkwijze zal niet veranderen. Ik ga niet uit van mijzelf. Eerst komt de filosofie, dan komt het elftal, dan komt de individuele speler en 86 treden later komt Van Gaal. Alleen is Van Gaal toevallig degene die de filosofie bewaakt.’

In VI nummer 51/52, 1999

 

FILOSOFIE (2)

‘De kwaliteiten van de spelers zijn bepalend voor mijn werkwijze. Onze visie is gebaseerd op een filosofie, niet op een systeem. De filosofie is met aanvallend en aantrekkelijk voetbal prijzen te winnen en het publiek te vermaken. Het systeem is afhankelijk van de kwaliteiten van de spelersgroep.’

In VI 31, 1997

 

POSITIONELE VELDBEZETTING

Waarom hangt u het systeem met vleugelspelers aan?

‘Omdat het een groot aantal voordelen heeft. Het geeft de in mijn ogen meest optimale positionele veldbezetting. Die zorgt ervoor dat we onze voetbalopvatting – aanvallen, dominant aanwezig zijn – het best kunnen uitvoeren. Dat wordt steeds moeilijker, daarom is de veldbezetting, het maken van ruimte, ook zo belangrijk. We hebben tegen Spanje in een ander systeem gespeeld. De buitenspelers stonden twintig meter naar achteren, maar de positionele veldbezetting bleef onaangetast. We zijn gedwongen aan alternatieven te denken, want er is een schrikbarend tekort aan Nederlandse vleugelspelers.’

Door omstandigheden speelde u in Spanje 3-5-2. Het gemakkelijkste systeem om te spelen. Zelfs Duitsers kunnen het.

‘Het is een gemakkelijk systeem voor wie achteruit wil verdedigen. Voor wie zoals wij vooruit wil spelen, is het moeilijker. Onlangs heb ik me voor het eerst in de Bundesliga vermaakt: bij Schalke-Bayern München. In die wedstrijd werd ik bevestigd in het systeem dat wij in Spanje speelden en als mogelijkheid voor de toekomst achter de hand houden. Huub Stevens speelde met de intentie die ik ook heb: aanvallend ingestelde middenvelders aan de vleugel. Het is een verschil of je daar speelt met Bogarde en Bosvelt of met Zenden en Overmars. Dezelfde veldbezetting, maar de uitvoering zal heel anders zijn. Je zou het ook 3-4-3 kunnen noemen, maar dan niet met statische, maar met multifunctionele, bewegende spitsen. Hoe dan ook, dan speel je eigenlijk met vijf spitsen. En dan komt het er wel op aan of je beter bent dan de tegenstander.’

Het aantal spitsen bepaalt toch niet hoe aanvallend er gespeeld wordt?

‘Zo sec gesteld niet. Maar hoe aanvallend een elftal speelt, wordt vooral bepaald door de sterkte in de een-tegen-een-duels. Komen ze hun man voorbij of niet? En aanvallers passeren van nature makkelijker dan verdedigers. In die zin bepaalt het aantal aanvallers wèl hoe offensief er gespeeld wordt.’

Dan ontstaat de verhouding vijf aanvallers, vijf verdedigers. Kan dat nog wel?

‘Als je beter bent dan je tegenstander wel. Wie aanvalt, hoeft ook niet zoveel te verdedigen. In dat geval zijn de ruimtes klein en de aanvallers in het voordeel. Alles is een kwestie van balans. Als voorbeeld: als we met Marc Overmars en Boudewijn Zenden aan de flank spelen, dan kan ik Phillip Cocu in de rug van Patrick Kluivert laten spelen. Staan Winston Bogarde en Paul Bosvelt aan de zijkant, dan zal ik een schaduwspits zoals Arnold Bruggink kiezen. Dat evenwicht is de keuze van de coach: hoeveel risico wil hij nemen?’

Dan kom je al snel aan de grens van de roekeloosheid.

‘Ik neem verantwoorde risico’s. Kijk, het avontuurlijke moet er wel in blijven. Dat is het aardige, anders zou ik er meteen mee ophouden. Het Ajax-systeem verschilde overigens weinig van het Duitse. Dat is een plat systeem. Wij hadden dat ruitje, diepte. En de aanvallende geest.’

In VI 51/52, 2000

 

TEAM

‘Als je voetbalt, speel je in een team. Daarin moet je je dienstbaar opstellen en dat vergt een sociale instelling. Die instelling wordt gestimuleerd in voetbal. Je moet jezelf toch kunnen wegcijferen voor die ander? Daarop selecteer ik ook. Ik probeer altijd te zien of spelers in dienst van het elftal kunnen voetballen. Daarmee bedoel ik niet dat ik dienstbare voetballers aantrek. Ook creatieve voetballers kunnen zich ondergeschikt maken aan het team.

Plezier is het allerbelangrijkste in de sport. Bij een team komt daar je menszijn bij. Medemenselijkheid is binnen een team zeer essentieel. Met behoud van de eigen identiteit, maar die eigen identiteit mag nooit ten koste gaan van het team. Dan grijp ik in. Hetzij door correctie en begeleiding of de speler wordt verwijderd.’

In VI 20, 1996

 

EENHEID VAN DENKEN

‘Mijn gelijk telt niet. Ik kan in alles gelijk hebben en toch met mijn ploeg een wedstrijd verliezen. Het rendement telt, het resultaat. Alleen, als de coach gelijk heeft, zal de speler eerder gemotiveerd zijn. Omdat hij in het succes gelooft. Als een coach steeds de verkeerde tactische snaar raakt, zullen de spelers dat geloof verliezen en gaan doen wat ze zelf het beste vinden. Dan krijg je chaos in het elftal. Dus een beetje ligt het wel aan de coach, maar nooit op de korte termijn. Nooit in één wedstrijd. Mijn werk is de lange termijn: de eenheid van denken. Dáár gaat het om.’

In VI 51/52, 1999

 

TEAMSPELERS

‘In het team is geen ruimte voor de individualist, maar wel voor spelers met specifieke kwaliteiten. In een goed team worden die juist geaccentueerd. Er zijn veel getalenteerde voetballers die geen goede teamspelers zijn omdat ze voor hun eigen bevrediging gaan. De problemen ontstaan zodra spelers zich groter gaan voelen dan de club of het team. Als ze onderdeel zijn van een collectief, worden de specifieke kwaliteiten optimaal benut als ze op elkaar worden afgestemd.’

In VI 51/52, 2000

 

WAARDERING

‘Iedere dag met jonge mensen omgaan, zó indringend en dan in korte tijd zoveel successen behalen, dat is toch fantastisch? En dan vind ik succes nog minder relevant dan waardering. Als wij kampioen worden, zonder dat men lovend over ons praat, is het mijn niet veel waard. Dan is die titel alleen maar goed voor de statistieken. Over het Ajax van ’95, Het Oranje van ’74 en het Real Madrid van ’56 wordt nog steeds gepraat. Dàt is waardering, dáár gaat het om.’

In VI 51/52, 1999

 

MIDDEL

‘Als trainer ben je altijd verantwoordelijk voor het feit of spelers wel of niet in vorm zijn en dat je ze opstelt of niet opstelt. Maar de speler is altijd het belangrijkste. Die moet het toch vooral zelf doen. Ik ben maar middel. En de ene trainer is een goed middel en de andere trainer is een slecht middel. Ik ben een heel erg goed middel, al is het veel belangrijker dat de spelers dat ook vinden.’

In VI 15, 1993

 

WAAROM? WAAR-OM?

‘Het draait allemaal om communiceren, overtuigen, vormen en vragen stellen. Altijd moet je je afvragen: Waarom? Waar-om? Dan pas leer je nadenken over de gevolgen. Die vraag moet niet steeds van bovenaf opgelegd worden, ze moet constant bestaan. Net als in een relatie moeder-kind. Ik ben als een moeder van een grote familie. Dat vergt een bepaalde manier van denken, van verantwoordelijkheden, van omgaan met elkaar. Het is eigenlijk een manier van leven.’

In VI 31, 1997

 

DOSEREN

‘Het trainerschap is een mix van allerlei kwaliteiten. Je psychologische kwaliteiten zijn heel belangrijk, je communicatietechnieken, maar ook het doseren van oefenstof. Welke oefening geef je op welk moment? Waarom leid ik maandag het positiespel zelf en laat ik Ronald Koeman het op dinsdag doen? Dat heeft allemaal te maken met doelstellingen die je als trainer hebt. Ik ben een veeleisende coach, die heel indringend bezig is. Dan is het goed als een dag later iemand anders vanuit zijn visie en met zíjn intonatie de oefeningen leidt, waardoor ik wat meer van afstand kan observeren.’

In VI 50, 1998

 

DRIEHOEKEN

‘Het systeem is helemaal niet belangrijk. Dat is slechts een middel. De manier van denken, dáár gaat het om. Waarom doe je iets? Waarom is het beter voor het team? Hoe creëer je driehoeken? Hoe vind je een speellijn waar bij de onderlinge afstanden groot genoeg blijven? In een 3-4-3 is het veld het best verdeeld in driehoeken. Dus zijn die lijnen automatisch al een beetje bepaald en hoeft een speler niet zo diep na te denken.’

In VI 51/52, 1997

 

TOTALE MENS

‘Ik ben elf jaar leraar geweest aan een lts in Amsterdam. Ik heb schoolvoetbalelftallen gecoacht, was daarna hoofdopleidingen bij Ajax. Steeds maar weer werken met jonge mensen. Het heeft mij tot het inzicht gebracht dat er méér is dan talent alleen. Het gaat ook om sociale en culturele achtergronden. Daarom zeg ik u: Ga bij uw werk als trainer niet alleen uit van voetbalkwaliteit, maar van de totale mens.’

In VI 5, 2003

 

VISIE

‘Mijn eigen visie is ondergeschikt aan de kwaliteiten van de spelers. Als die kwaliteiten zodanig zijn dat ik anders moet gaan spelen, dan doe ik dat. Maar ik kan natuurlijk wel naar mijn eigen visie toewerken. Dat heb ik bij Ajax ook gedaan. In mijn eerste wedstrijd, uit tegen Örebro, heb ik 4-4-2 gespeeld. En met het tweede heb ik altijd 4-4-2 gespeeld. Als ik geen buitenspelers heb, ga ik echt geen 4-3-3 spelen.’

In VI 23, 1997

 

JOURNALISTEN

‘Ik heb respect voor elke journalist en accepteer dat iedereen het recht heeft op zijn eigen mening, ook al staat die in bepaalde gevallen haaks op de mijne. Maar ik raak teleurgesteld als ik merk dat bepaalde journalisten niet eens doorhebben welk systeem ik gebruik en hoe ik de spelers wil laten functioneren.’

In VI 48, 2002

 

OMSCHAKELMOMENT

‘Van balbezit tegenstander naar eigen balbezit. Als de tegenstander aan het opbouwen is, dan is hij in zijn hoofd meer met de aanval bezig. Achterin is hij dan vaak ongeorganiseerd. Daarvan moet je profiteren. In de Hollandse visie willen we zo snel mogelijk balbezit hebben. Maar dat moment kun je ook uitstellen. Door wat terug te zakken, door ruimte voor jezelf te creëren. We zullen uit het omschakelmoment meer rendement moeten halen. Meer kansen, dus meer goals.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *